Katholiek Nieuwsblad

‘Wees niet bang, maar blijf geloven’

‘Wees niet bang, maar blijf geloven’
Foto: AP

Tijdens de algemene audiëntie van 18 oktober sprak paus Franciscus over de dood en de hoop die Jezus ons geeft.

Beste broeders en zusters, goedemorgen!

Vandaag wil ik de christelijke hoop confronteren met de realiteit van de dood, een realiteit die onze moderne samenleving steeds meer neigt te ontkennen. Wanneer de dood dan arriveert voor wie dichtbij ons staat of voor onszelf, blijken we onvoorbereid; zonder een passend ‘alfabet’ om zinvolle woorden te schetsen rond dit mysterie, dat echter blijft bestaan. De eerste tekenen van de menselijke beschaving verlopen echter precies via dit raadsel. We zouden kunnen zeggen dat de mens wordt geboren met de verering van de doden.

Wij zijn 'haast niets'

Andere beschavingen, voor die van ons, hadden wel de moed om de dood in de ogen te kijken. Het was een gebeurtenis waarover door de ouderen verteld werd aan de nieuwe generaties. Als een onontkoombare realiteit die de mens dwong te leven voor iets dat absoluut is. In psalm 90 staat: “Leer ons zo onze dagen te tellen dat ons wijsheid des harten gewordt” (vers 12).

Onze dagen tellen zorgt ervoor dat ons hart wijs wordt! Het zijn woorden vol van gezond realisme die het delirium van almacht verjagen. Wat zijn wij? We zijn “haast niets”, zegt een andere psalm (vlg. 88,48); onze dag vliegen razendsnel voorbij: ook al worden we honderd, aan het einde ervan zal het lijken alsof het allemaal in een zucht voorbij is gegaan. Hoe vaak heb ik oude mensen niet horen zeggen: “Mijn leven is voorbij gevlogen...”.

Huilen om de doden

Zo toont de dood ons naakte leven. Het doet ons ontdekken dat onze daden gedaan uit trots, woede en hart ijdel waren: pure ijdelheid. We komen er verbitterd achter dat we niet genoeg hebben liefgehad en dat we niet hebben gezocht naar dat wat essentieel was. We zien dan datgene wat we daadwerkelijk aan goeds hebben gezaaid: de geliefden waarvoor we ons hebben opgeofferd en die nu onze hand vasthouden.

Jezus heeft het mysterie van de dood verlicht. Met zijn gedrag toont Hij ons dat we ons verdrietig mogen voelen als een geliefde ons verlaat. Hij was ten diepste geroerd bij het graf van zijn vriend Lazarus, en “begon te wenen” (Joh. 11,35). Door zijn houding voelen we Jezus, onze broeder, heel dichtbij ons staan. Hij huilde om zijn vriend Lazarus.

Gebed

En dus bidt Jezus tot de Vader, bron van het leven, en geeft Hij Lazarus opdracht om uit het graf op te staan. En dat gebeurt ook. De christelijke hoop wordt geïnspireerd door deze houding die Jezus aanneemt ten opzichte van de menselijke dood: als die aanwezig is in de schepping, is het echter ook een smet die het plan van Gods liefde besmeurt, en de Verlosser wil ons ervan bevrijden.

'Wees niet bang'

Elders wordt er in de evangelieverhalen gesproken over een vader met een erg zieke dochter. En hij wendt zich vol geloof tot Jezus, opdat Hij haar redden zal (vlg. Marc. 5,21-24.35-43). Er is geen figuur ontroerender dan een vader of een moeder met een ziek kind. En meteen gaat Jezus met die man, Jaïrus, mee. Op een bepaald moment komt iemand aan de deur van Jaïrus en vertelt hem dat het meisje dood is en dat het niet meer nodig is om de Meester ermee te storen. Maar Jezus zegt tegen Jaïrus: “Wees niet bang, maar blijf geloven” (Marc. 5,36).

Jezus weet dat die man boos en wanhopig wil reageren, omdat zijn dochter is gestorven, en Hij vraagt hem om het vlammetje dat in zijn hart is ontstoken – het geloof – te bewaren. “Wees niet bang, maar blijf geloven. “Wees niet bang, laat die vlam slechts branden!” En dan, thuis aangekomen, keert het meisje uit de dood terug en wordt ze levend aan haar geliefden teruggegeven.

Geloven wij dat?

Jezus plaatst ons op die ‘bergrug’ van het geloof. Aan Marta die huilt om het heengaan van haar broer Lazarus, toont Hij het licht van een dogma: ““Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en ieder die leeft in geloof aan Mij, zal in eeuwigheid niet sterven. Gelooft gij dit?” (Joh. 11,25-26).

Dat is wat Jezus tegen ieder van ons wil zeggen, elke keer dat de dood het weefsel van het leven en van de liefde uiteen rukt. Heel ons bestaan speelt zich hier af, op de helling van het geloof en aan de afgrond van de angst. Jezus zegt: “Ik ben niet de dood, Ik ben de verrijzenis en het leven, gelooft gij dit?, geloof jij dit?” Wij die hier vandaag op het plein staan: geloven wij dit?

Sta op!

Wij zijn allemaal klein en hulpeloos ten overstaan van het mysterie van de dood. Maar wat een genade als we op dat moment in ons hart de vlam van het geloof dragen! Jezus zal ons bij de hand nemen, zoals Hij ook de dochter van Jaïrus bij de hand nam. En Hij zal nogmaals zeggen: ““Talita koemi”, “Meisje, Ik zeg je, sta op” (Marc. 5,41). En Hij zal het tegen ons zeggen, tegen ieder van ons: “Sta op, verrijs!”.

Ik nodig jullie nu uit om jullie ogen dicht te doen en aan dat moment te denken, het moment van onze dood. Laat ieder van ons aan zijn eigen dood denken, en stel je voor dat dat moment komt waarop Jezus ons bij de hand neemt en ons zegt: “Kom, kom met me mee, sta op.” Daar eindigt de hoop en is er de realiteit, de realiteit van het leven. Denk er eens goed over na: Jezus zelf zal naar ieder van ons toekomen en ons bij de hand nemen; met zijn tederheid, zijn zachtheid, zijn liefde. En laat iedereen in zijn hart Jezus’ woorden herhalen: “Sta op, kom. Sta op, kom. Sta op, verrijs!”

Onze hoop

Dat is onze hoop ten opzichte van de dood. Voor wie gelooft, is het een deur die wijd openstaat. Voor wie twijfelt is het een straaltje licht dat door een deur schijnt die niet helemaal gesloten is. Maar voor ieder van ons zal het een genade zijn wanneer dat licht, van de ontmoeting met Jezus, ons zal verlichten. (Vert. SvdB)

 


Tags

Katholiek nieuws in je mailbox:
Please wait

© Katholiek Nieuwsblad