Katholiek Nieuwsblad

‘God vraagt weinig van ons, maar geeft veel’

‘God vraagt weinig van ons, maar geeft veel’
Foto: AP

Tijdens de algemene audiëntie van 28 februari sprak paus Franciscus verder over de H. Mis. “Hij vraagt weinig van ons, de Heer, maar Hij geeft ons heel veel.”

Beste broeders en zusters, goedemorgen!

We gaan verder met de catecheses over de heilige Mis. Op de dienst van het woord, waar ik de afgelopen catecheses bij stil heb gestaan, volgt het andere fundamentele onderdeel van de Mis en dat is de dienst van de eucharistie. Door de heilige tekenen stelt de Kerk daarin voortdurend het Offer present van het nieuwe verbond dat door Jezus op het altaar van het kruis is bezegeld (vlg. Sacrosanctum Concilium, 47).

Het kruis was het eerste christelijke altaar en als wij het altaar naderen om de Mis te vieren, gaan onze gedachten uit naar het altaar van het kruis waar het eerste offer werd gedaan. De priester, die tijdens de Mis Christus representeert, doet wat de Heer zelf deed en aan zijn leerlingen gaf tijdens het Laatste Avondmaal: Hij nam het brood en de beker, sprak het dankgebed uit, gaf ze aan zijn leerlingen met de woorden: “Neemt en eet…drinkt: dit is mijn lichaam…dit is de beker met mijn bloed. Doet dit tot mijn gedachtenis.”

Trouw aan Jezus

Trouw aan Jezus’ gebod, heeft de Kerk de dienst van de eucharistie opgedeeld in momenten die overeenkomen met de woorden en handelingen die door Hem gezegd en gedaan werden aan de vooravond van zijn Passie. Zo worden bij de bereiding van de gaven het brood en de wijn naar het altaar gebracht, ofwel de elementen die Christus in zijn handen nam. In het eucharistisch gebed zeggen we dank aan God voor het werk van zijn verlossing en worden de gaven het Lichaam en Bloed van Jezus Christus.

Daarna volgt het breken van het Brood en de Communie waardoor we de ervaring van de apostelen beleven die de eucharistische gaven uit de handen van Christus zelf ontvingen (vlg. Romeins Missaal, 72).

Bereiding van de gaven

Het eerste gebaar van Jezus - “Hij nam het brood en de beker met wijn” -, komt dus overeen met de bereiding van de gaven. Het is het eerste deel van de dienst van de eucharistie. Het is goed als het gelovigen zijn die het brood en de wijn aan de priester aanbieden, want die vormen de geestelijke gave van de Kerk die daar bijeen is voor de Eucharistie.

Het is goed als het juist de gelovigen zijn die het brood en de wijn naar het altaar brengen. “Hoewel de gelovigen het brood en de wijn die voor de liturgie bestemd zijn, niet meer, zoals vroeger, zelf meebrengen, behoudt de ritus om ze aan te bieden toch zijn geestelijke inhoud en uitdrukkingskracht” (Romeins Missaal, 73).

Eigen offer

En wat dat betreft is het veelzeggend dat de bisschop bij het wijden van een nieuwe priester tegen hem zegt, als hij hem het brood en de wijn geeft: “Ontvang de gaven van het heilig volk voor het eucharistisch offer”. Het volk van God dat de gaven aandraagt, het wijn en het brood, de grote offergave voor de Mis!

Kortom, in de tekenen van brood en wijn legt het gelovige volk de eigen offergave in de handen van de priester, die dat neerlegt op het altaar of de tafel van de Heer, “die het centrum vormt van heel de eucharistische liturgie” (Romeins Missaal, 73).

Het altaar als centrum van de Mis

Dat wil zeggen, het centrum van de Mis is het altaar, en het altaar is Christus; we moeten altijd naar het altaar kijken, want dat is het centrum van de Mis. In “de vruchten van de aarde en van de menselijke arbeid”, wordt dus de bereidheid van de gelovigen geofferd om van zichzelf, trouw aan het goddelijke Woord, een offer te maken “dat God de almachtige Vader aangenaam is”, “voor het welzijn van heel zijn heilige Kerk”.

Zo worden “het leven van de gelovigen, hun lofprijzing, hun lijden, hun gebed, hun werk, verenigd met die van Christus en met zijn totale offerande. Zij krijgen op deze wijze een nieuwe waarde” (Catechismus van de katholieke Kerk, 1368).

Wat wij offeren stelt weinig voor

Natuurlijk, onze offergave stelt weinig voor, maar Christus heeft dat weinige nodig. Hij vraagt weinig van ons, de Heer, maar Hij geeft ons heel veel. Hij vraagt weinig van ons. Hij vraagt ons, in het dagelijks leven, om goede wil; Hij vraagt om een open hart; Hij vraagt om de wil betere mensen te zijn om Hem te ontvangen die zichzelf aan ons offert in de Eucharistie; Hij vraagt om deze symbolische offergaven die vervolgens zijn Lichaam en Bloed worden.

Deze biddende offergave wordt verbeeld in de wierook die, verteerd door het vuur, een geurige rook afgeeft die naar boven opstijgt: het bewieroken van de offergaven, zoals dat op feestdagen gebeurt, het bewieroken van het kruis, het altaar, de priester en het priesterlijke volk, is een zichtbare uitdrukking van de offerende band die al die dingen verenigd in het offer van Christus.

En vergeet niet: er is het altaar dat Christus is, maar dat verwijst altijd naar het eerste altaar van het Kruis. En naar het altaar dat Christus is brengen wij het weinige van onze gaven, het brood en de wijn die vervolgens in heel veel veranderen: Jezus zelf die zich aan ons geeft.

Onze armoede en zijn rijkdom

En dat alles wordt ook uitgedrukt door het gebed over de gaven. Daarbij vraagt de priester aan God om de gaven die de Kerk Hem aanbiedt te aanvaarden en smeekt hij de vrucht af van de wonderbaarlijke uitwisseling tussen onze armoede en zijn rijkdom.

In het brood en de wijn bieden wij Hem het offer van ons leven aan, opdat dat door de Heilige Geest veranderd mag worden in de offergave van Christus en met Hem een enige geestelijke offergave mag worden die de Vader aangenaam is. Terwijl daarmee de bereiding van de gaven wordt afgesloten, bereiden we ons voor op het eucharistisch gebed.

De spiritualiteit van de zelfgave die dat moment van de Mis ons leert, kan onze dagen verlichten, onze relaties met anderen, de dingen die we doen, het lijden dat we tegenkomen. Het mag ons helpen te bouwen aan de aardse stad in het licht van het Evangelie. (Vert. SvdB)


Tags

© Katholiek Nieuwsblad