Katholiek Nieuwsblad - Sint Pieter Rome

'Beklaag je gerust bij God'

'Beklaag je gerust bij God'
Foto: AP

Tijdens de algemene audiëntie op 28 december sprak paus Franciscus over Abraham die ondanks alles op God blijft vertrouwen.

Beste broeders en zusters, goedemorgen!

In zijn brief aan de christenen van Rome, herinnert de apostel Paulus ons aan de grote figuur van Abraham, om ons de weg van het geloof en van de hoop te wijzen.

Tegen alle hoop in

De apostel schrijft over hem: “Tegen alle hoop in heeft hij gehoopt, en geloofd dat hij vader zou worden van vele volken, gelijk hem gezegd was: Zo talrijk zal uw nageslacht zijn” (Rom. 4,18);

“Tegen alle hoop in heeft hij gehoopt.” Dat is een krachtig concept: ook als er geen hoop is, geloof ik. Zo is onze aartsvader Abraham. De apostel Paulus refereert aan het geloof waarmee Abraham geloofde in het woord van God dat hem een zoon beloofde.

Hij heeft geloofd

Maar het was werkelijk een vertrouwen te hopen “tegen alle hoop in”, zo onwaarschijnlijk was het wat de Heer hem verkondigde. Want hij was oud – bijna honderd jaar – en zijn vrouw was onvruchtbaar. Zij kon het niet! Maar God heeft het gezegd, en hij heeft geloofd. Er was geen menselijke hoop, want hij was oud en zijn vrouw onvruchtbaar: en hij heeft geloofd.

Vertrouwend op deze belofte, gaat Abraham op weg. Hij aanvaardt dat hij zijn land moet verlaten en vreemdeling moet worden en hij hoopt op dit ‘onmogelijke’ kind dat God hem zou moeten geven, ondanks het feit dat de schoot van Sara inmiddels nagenoeg verdord was.

Het onmogelijke

Abraham gelooft, zijn geloof opent zich voor een hoop die onredelijk lijkt; dat is het vermogen om voorbij te gaan aan menselijke redeneringen, aan de wijsheid en de voorzichtigheid van de wereld, aan dat wat normaal gezien wordt als verstandig, om te geloven in het onmogelijke.

De hoop opent een nieuwe horizon, stelt je in staat om te dromen van wat ondenkbaar lijkt. De hoop doet je binnengaan in het duister van een onzekere toekomst, om te wandelen in het licht. De deugd van de hoop is mooi; het geeft ons heel veel kracht om het leven te bewandelen.

Ontmoediging

Maar het is een moeilijke weg. En het moment komt, ook voor Abraham, van een vervallen in ontmoediging. Hij heeft erop vertrouwd, hij heeft zijn huis, zijn land, zijn vrienden verlaten...alles. Hij is vertrokken, en aangekomen in het land dat God hem had aangewezen, de tijd is voorbij gegaan.

In die tijd was het maken van zo’n reis niet zoals vandaag. Met het vliegtuig, ben je er in een paar uur. Maar toen had je er maanden, jaren voor nodig! De tijd is voorbij gegaan, maar het kind komt niet, de onvruchtbare schoot van Sara blijft gesloten.

Klagen bij de Heer

En Abraham...ik zeg niet dat hij zijn geduld verliest, maar hij beklaagt zich bij de Heer. Ook dat leren we van onze aartsvader Abraham: je beklagen bij de Heer is ook een manier van bidden.

Soms hoor ik tijdens het biechthoren: “Ik heb me beklaagd bij de Heer...”. En [ik antwoord dan]: “Maar nee! Beklaag je gerust, Hij is vader!”. En dat is een manier om te bidden: beklaag je maar bij de Heer, dat is goed.

Abraham

Abraham beklaagt zich bij de Heer en zegt: “Jahwe, mijn Heer, [...] ik blijf maar kinderloos en de Damasceen Eliezer zal de bezitter van mijn huis worden” (Eliezer was degene die overal voor zorgde). Abraham gaat verder: “Gij hebt mij toch geen nakomelingen geschonken, en een onderhorige zal mijn erfgenaam zijn”.

En kijk, het woord van de Heer wordt tot hem gericht: “Niet hij wordt uw erfgenaam, uw erfgenaam zal iemand zijn die gij zult verwekken”. Vervolgens laat Hij hem naar buiten gaan, Hij begeleidt hem en zegt tot hem: “Kijk naar de hemel en tel de sterren, als ge kunt”; en Hij verzekert hem: “Zo talrijk wordt uw nageslacht”. En Abraham heeft de Heer opnieuw gelooft, “en deze rekende hem dat als gerechtigheid aan” (Gen. 15, 2-6).

Het duister van de teleurstelling

Deze scène speelt zich ‘s nachts af. Buiten is het donker, maar ook in het hart van Abraham bevindt zich het duister van de teleurstelling, van de ontmoediging, van de moeite om te blijven hopen op iets onmogelijks. Inmiddels is de aartsvader te oud geworden, het lijkt alsof er geen tijd meer is om een kind te krijgen en een dienaar zal hem opvolgen en alles erven.

Abraham richt zich tot de Heer, maar het is alsof God, ook al is Hij aanwezig en praat Hij met hem, zich al verwijderd heeft. Alsof Hij zich niet aan zijn woord heeft gehouden. Abraham voelt zich alleen, hij is oud en moe, de dood doemt op. Hoe moet hij vertrouwen blijven houden?

Vechten met God

En toch is zelfs dit geweeklaag van hem een vorm van geloof. Het is een gebed. Ondanks alles blijft Abraham in God geloven en hopen dat er alsnog iets kan gebeuren. Waarom zou hij anders de Heer bevragen, zich beklagen bij Hem, Hem herinneren aan zijn beloftes?

Het geloof is niet alleen stil zijn en alles zonder weerwoord aanvaarden; de hoop is geen zekerheid die je vrijwaart van twijfel en van onzekerheid. Heel vaak is de hoop duister; maar de hoop is er...en brengt je verder. Geloof is ook vechten met God, Hem onze verbittering tonen, zonder ‘vrome’ schijn. “Ik ben boos geworden op God en ik heb Hem dit, dit en dit gezegd...”. Maar Hij is vader, Hij heeft je begrepen: ga in vrede!

Dat is de hoop

Je moet die moed hebben! En dat is de hoop. En hoop is ook niet bang zijn om de werkelijkheid te zien zoals die is en de tegenstrijdigheden ervan te aanvaarden.

Abraham richt zich dus, in geloof, tot God, opdat Hij hem helpt om te blijven hopen. Hij is nieuwsgierig, hij vraagt niet om een zoon. Hij vraagt: “Help me om te blijven hopen”, het gebed om hoop te houden. En de Heer antwoordt en houdt vast aan zijn onwaarschijnlijke belofte: je erfgenaam zal geen dienaar zijn, maar een zoon, geboren uit Abraham, gemaakt door hem.

Vertrouwen

Er is niets veranderd wat God betreft. Hij blijft herhalen wat Hij hem al gezegd had, en geeft Abraham geen houvast om zich gerustgesteld te voelen. Zijn enige zekerheid is te vertrouwen op het woord van de Heer en te blijven hopen.

En dit teken dat God aan Abraham geeft, is een verzoek om te blijven geloven en te blijven hopen: “Kijk naar de hemel en tel de sterren [...]. Zo talrijk wordt uw nageslacht” (Gen. 15,5). Het is nog steeds een belofte, het is nog steeds iets dat in de toekomst te verwachten is. God brengt Abraham vanuit de tent, in werkelijkheid vanuit zijn beperkte blikveld, naar buiten en toont hem de sterren.

Met de ogen van het geloof

Om te geloven is het nodig om te kunnen kijken met de ogen van het geloof; het zijn enkel sterren, die iedereen kan zien, maar voor Abraham moeten ze het teken worden van de trouw van God.

En dat is het geloof. Dat is de weg van de hoop die ieder van ons moet afleggen. Als ook voor ons enkel de mogelijkheid overblijft om te kijken naar de sterren, dan is het voor ons tijd om op God te vertrouwen. Er is niets mooiers. De hoop stelt niet teleur. Dank u wel. (Vert. SvdB)


Tags

Katholiek nieuws in je mailbox:
Please wait

© Katholiek Nieuwsblad