Om maar met dat laatste te beginnen: partijen komen in onze grondwet niet eens voor, en staan daarmee zelfs een beetje op gespannen voet. Volgens artikel 50 vertegenwoordigen de Staten-Generaal het gehele volk. Dat geldt ook voor elk lid, dat bovendien stemt “zonder last” (artikel 67, lid 3).
Die bepaling is overgebleven van het aloude stemmen ‘zonder last of ruggenspraak’ uit de tijd van de Republiek. Ruggenspraak kun je moeilijk verbieden in een tijd van Twitter en mobiele telefoons, maar stemmen zonder last geeft ook tegenwoordig elke volksvertegenwoordiger een grote eigen verantwoordelijkheid.
De strekking is duidelijk: een volksvertegenwoordiger dient het hele publieke belang voor ogen te hebben en te handelen naar eigen geweten. Partijprogramma’s, coalitieakkoorden en andere onderlinge afspraken kunnen dus niet totaal bindend zijn en komen logischerwijs op de tweede plaats. Voorop staat de eigen verantwoordelijkheid.
Wel… of niet?
Natuurlijk hebben partijen en fracties een groot praktisch nut en natuurlijk zullen partij- en fractiegenoten op zoek gaan naar overeenstemming en gezamenlijke stellingnamen. Natuurlijk bieden ook programma’s en concrete voorstellen de kiezers houvast en kun je daarover zinvol debatteren.
Maar iedereen die wel eens een kieswijzer heeft ingevuld, weet dat je op dit concrete niveau vaak verschillende kanten op kunt. Wel of niet meer snelwegen? Het hangt er maar vanaf: op sommige plaatsen soms wel, op andere juist niet. Wel of niet bezuinigen op ontwikkelingssamenwerking? Ook dat hangt vooral af van hoe het geld wordt besteed. En zo kun je doorgaan: zelf kreeg ik elke keer dat ik de verschillende kieswijzers zo eerlijk mogelijk invulde, toch telkens een ander stemadvies.
Vertrouwen
Belangrijker dan de concrete standpunten zijn dan ook wat vroeger ‘beginselen’ heette en wat we tegenwoordig eerder ‘waarden’ noemen. Wie het gevoel heeft met een bepaalde politicus een aantal fundamentele waarden te delen, zal veel sneller geneigd zijn op haar of zijn oordeel te vertrouwen wanneer het gaat om complexe beleidsvraagstukken.
Vertrouwen. Dat is dan ook het kernwoord van de democratie. Mensen kiezen hun volksvertegenwoordigers op basis van standpunten, maar ook op basis van vertrouwen. Het gaat niet alleen om wat een politicus concreet vindt, maar of je haar of hem het land toevertrouwt op momenten van crisis of conflict.
De kandidaten
Inmiddels hebben we allemaal een groot vel ontvangen met de kandidatenlijsten voor de aanstaande verkiezingen. Met één blik valt te zien, dat we inderdaad niet op partijen stemmen. Op mijn eigen exemplaar (ze verschillen per kieskring) staan de namen van 837 kandidaten van wie ik er straks één mag aanvinken.
De plaats die al deze kandidaten op lijsten innemen, doet er minder toe. Wanneer kiezers gewoon een stem uitbrengen op de kandidaat van hun werkelijke keuze, kan straks blijken dat Rutte, Roemer en al die andere ‘leiders’ niet eens verkozen zijn.
Duits model
De keus is dus aan de kiezer. In werkelijkheid laat die zich in Nederland vaak leiden door partijpolitiek voorwerk en stemmen we massaal op ‘lijsttrekkers’ en andere hooggeplaatsten. Bij recente verkiezingen werden telkens maar enkele Kamerleden ‘bij voorkeursstemmen’ (die bestaan natuurlijk niet: alle stemmen zijn voorkeursstemmen) verkozen. De rest liftte mee op de stemmen van de lijsttrekker.
Een Duits model, waarbij elke kiezer twee stemmen uitbrengt, zou zeker helpen bij een meer persoonlijke keuze. Maar ook in het Nederlandse model zijn we vrij om te stemmen op een kandidaat die werkelijk ons vertrouwen geniet, gebaseerd op integriteit en gedeelde waarden.
Laten we dat dus doen. Dan krijgen we een volksvertegenwoordiging zoals de grondwet die bedoelt.
Johan Snel is historicus. Hij is als onderzoeker verbonden aan het het lectoraat Religie in Media en Publieke Ruimte van de Christelijke Hogeschool Ede.





Aanmelden Nieuwsbrief
Zie mij op Facebook!
Poll