Het ziet er somber uit voor de katholieke Kerk in Nederland. Na het onderzoek God in Nederland (1997) volgden kortelings de bijna nog schokkender resultaten van het vervolgonderzoek Dichtbij en veraf, waarbij het geloofsleven van onder meer priesters, diakens en pastoraal werk(st)ers tegen het licht werd gehouden (zie KN 14).
Naast de dramatische cijfers over het kerkbezoek werden nog meer zorgelijke cijfers bekend. Volgens een onderzoek van het Instituut voor Katholieke Informatie (IKI), onder leiding van prof.dr. F.W. Rutten, wordt in 550 Nederlandse parochies ernstig afgeweken van de normen voor de zondagsviering. Het IKI onderzocht of er in deze parochies iedere zondag een Eucharistieviering plaatsvindt en zo ja, of er in hetzelfde weekend ook een woord- en communieviering wordt gehouden, wat verboden is. In de Groningse parochies wordt in negentig procent van de gevallen afgeweken van de regel. In de bisdommen Breda, Haarlem, Rotterdam en Utrecht in 70 tot 80% van de parochies. Den Bosch komt er beter van af met 40 tot 50% en Roermond staat eenzaam aan de top met slechts tien procent afwijkingen.
Geen verrassingen
De voorliggende cijfers zijn niet verrassend. De secularisatie slaat hard toe, niet alleen in Nederland en onder de lekengelovigen. Secularisatie - het proces waardoor het maatschappelijk leven onttrokken wordt aan de Kerk en het geloof - betekent in een christelijke cultuur per definitie ontkerstening. Dat proces is echter niet alleen een bekoring van buiten de Kerk maar is sinds de jaren zestig ook een sterk streven van binnenuit. Dat was feitelijk het streven van het Landelijk Pastoraal Concilie (1966-1970). Men wilde, zoals de Nijmeegse godsdienstsocioloog O. Schreuder in 1974 schreef "als een typische middle-class-onderneming" een Kerk creëren "naar eigen beeld en gelijkenis". Het primaat over geloof en leven behoorde niet langer tot het Leergezag ('Rome') maar werd verlegd naar datgene 'wat leeft aan de basis': de eigen ervaring en het eigen geweten.
Het ambt
Het scherpst spitste dit secularistische streven zich toe op de ambtskwestie. Men wilde een meer werelds georiënteerd priesterschap dat niet meer was voorbehouden aan (ongehuwde) mannen. Gehuwde priesters moesten in het ambt worden hersteld. Wat de ontkoppeling tussen celibaat en priesterschap betreft, gingen de bisschoppen ver mee, ondanks herhaalde waarschuwingen van paus Paulus VI. Op 19 januari 1970 schreven zij in een perscommuniqué: "De bisschoppen zijn van mening dat hun geloofsgemeenschap ermee gebaat zou zijn, als naast het in duidelijke vrijheid gekozen celibataire priesterschap (…) de gehuwde priester toegelaten zou kunnen worden, doordat gehuwden priester worden gewijd en doordat in speciale gevallen priesters, die in het huwelijk zijn getreden, onder bepaalde voorwaarden in de ambtsbediening worden hersteld.”
In de toelichting wordt benadrukt dat de bisschoppen hiermee een “principiële uitspraak” doen en dat het "het celibaatsvraagstuk aldus op beleidsniveau is gebracht. (…) "Dit biedt uiteraard ook perspektieven voor personen, die na pastorale vorming en werkzaamheden geschikt blijken te zijn om als kandidaat voor de priesterwijding gehandhaafd te blijven, ook als zij zich niet geroepen achten tot de celibataire levensstaat. (…) Priesters, die in het huwelijk zijn getreden en in hun ambtsbediening willen worden hersteld komen duidelijk in een nieuwe situatie. (…) De eerste stappen om tot een concretisering van dit beleid te komen zijn reeds gezet.”
Hangende pootjes
Hoewel de bisschoppen blijven pleiten voor het behoud van het (vrijwillige) celibataire priesterschap, verzoeken zij de Heilige Stoel – tegen de uitdrukkelijke wens van de paus - om ontkoppeling. Het antwoord is zoals te verwachten: “Nee.”
Daarmee is de kloof tussen Nederland en 'Rome' compleet. Achteraf lijkt het alsof de hoge verwachtingen van het Pastoraal Concilie ondanks alle waarschuwingen bewust zijn opgeschroefd om als excuus voor verwijdering te kunnen dienen.
Aldus kon de ‘vernieuwing’ onder de ogen van de bisschoppen worden voortgezet en deden de eerste pastoraal werkers (onder wie enkele tientallen ex-priesters) hun intrede. Sommige bisschoppen werpen hun gezag in de strijd om vernieuwers ruim baan te geven. Als in 1971 de Haarlemse priester S. Konijn het boekje Ter overbrugging publiceert, komen daartegen enkele tientallen priesters in opstand. Het is in strijd met de Leer, schrijven zij in een verklaring. De Haarlemse bisschop mgr. Zwartkruis, van wiens staf Konijn deel uitmaakt, wijst hen openlijk terecht. Hij schaart zich achter het boekje. Zonder op de bezwaren in te gaan, beroept Zwartkruis zich op zijn gezag als bisschop die boven de priesters staat.
Ingrijpen
De snelle ontwikkelingen, waaronder de massale ambtsverlating (uiteindelijk meer dan 2.000 tussen 1961 en 1980) en het uitblijven van adequaat bisschoppelijk optreden, leiden tot Romeins ingrijpen door de benoemingen van mgr. Simonis (1970) en mgr. Gijsen (1972).
De situatie zal echter zo blijven verslechteren dat paus Johannes Paulus II een nieuwe overlegstructuur introduceert, de Bijzondere Bisschoppensynode, die in 1980 zal worden gehouden. Dr. J. Bots SJ beschrijft de noodzaak daartoe in zijn boek Zestig jaar katholicisme in Nederland (1981): "(…) Niet het feit op zichzelf, dat er op het gebied van de celibaatsbeleving verdachte theorieën en praktijken in omloop waren, was zo verontrustend, maar wél dat die theorieën en praktijken op steeds hogere niveaus werden gelegitimeerd en langs de officiële kerkelijke kanalen werden verbreid. Onrustbarend waren de talrijke ambtsverlatingen, waarmee Nederland een triest wereldrecord boekte, maar onrustbarender nog zijn de impliciete ambtsverlatingen wegens het cynische gemak waarmee priesters een verhouding aangaan met een vriendin, met een homosexuele vriend. Niet het feit op zich genomen, dat er zich voor het priesterschap weinig of geen kandidaten meldden, maakte bijzondere maatregelen nodig. (…) Maar een interventie van hogerhand werd noodzakelijk, toen de Nederlandse kerkprovincie zich een eigen instituut begon op te bouwen, dat van de zogenaamde 'leke-pastor’. Daarmee werd een vervanging geschapen voor het gewijde ambt, dat zodoende systematisch werd teruggedrongen. Langs deze weg zou ook voor de toekomst een mogelijke vernieuwing op katholieke basis de pas worden afgesneden en zou aan de huidige toestand een lang leven beschoren worden. Door de geleidelijke opheffing van het onderscheid tussen priester en leek zag het er naar uit, dat de Nederlandse kerkprovincie zou overgaan van de toestand van virtueel schisma (waarin de voorwaarden voor een schisma alleen nog maar latent aanwezig zijn) naar de toestand van een feitelijk schisma.”
Forse besluiten
Deze synode, waaraan alle Nederlandse bisschoppen deelnemen, neemt een reeks besluiten. Eén van de centrale punten is het maken van een helder onderscheid tussen de taken en bevoegdheden van gewijden en niet-gewijden. Daarnaast - en in aanvulling daarop - wordt gewezen op het belang van gedegen en door Rome erkende theologische opleidingen.
Een commissie "zal moeten verduidelijken: het onderscheid tussen de pastorale taken van de priester, van de diaken en van de leek; de wenselijkheid van een verbintenis langs de weg van het diakonaat”. Daarbij moet wat betreft de ‘pastoraal werk(st)er er uitdrukkelijk voor gewaakt worden “dat het hier niet gaat om een soort nieuw 'ambt' of ministerie - zoals het lectoraat en het acolytaat - noch om een permanente functie met een algemene opdracht, ten einde het ontstaan van een 'parallelle’ clerus, te vermijden, die zich zou aandienen als een alternatieve mogelijkheid naast het priesterschap en het diakonaat”.
Visie op het ambt
De pastoraal werk(st)er wordt door velen echter wel degelijk bedoeld als een alternatief voor het gewijde ambt. Het vouwblad van de Vereniging voor Pastoraal Werkenden (VPW) in het aartsbisdom Utrecht schrijft in 1981: "Er is een duidelijke ontwikkeling wat betreft de plaats die de pastoraal werk(st)er inneemt. Deze niet gewijde maar wel toegewijde mensen worden erkend als voorgangers van de gemeenschap, en dan komt de vraag, uit de parochie of instelling zelf, of zij ook andere taken willen vervullen.”
(…) "Er groeit een theologische visie (van Schillebeeckx –JP) waarin men sterk de nadruk legt op het werk dat mensen, vrouwen en mannen, in feite verrichten op allerlei manieren en terreinen. Zij kunnen zich daarin ontwikkelen tot voorgangers, tot leiders van een gemeenschap. De gemeenschap gaat langzamerhand deze man of vrouw zien en aanvaarden als degene die voorgaat in de uitleg van de Schrift en in het levend houden van het geloof. Zij houden de gemeenschap bij elkaar op de weg van het evangelie, zoals een herder zijn kudde hoedt.
Er zou (…) op deze aanvaarding door de gemeenschap-ter-plaatse moeten volgen, dat ook de grote kerkgemeenschap deze 'voorgangers’ aanvaardt, en dit uitdrukt in de vorm van een wijding. Daardoor zou zo iemand openlijk erkend en bevestigd worden als een leider die trouw de weg van Jezus bewaart en wijst. En hierbij zou geen verschil gemaakt moeten worden tussen mannen en vrouwen, gehuwden en ongehuwden. In deze opvatting gaat de erkenning-ter-plaatse vooraf aan de erkenning-van-bovenaf.”
(…) De verenigingen van pastoraal werkenden koesteren de wens dat de ontwikkelingen van de laatste jaren zich zullen voortzetten, en daarmee ook de ontwikkeling van de theologische visie. (…) Als wij er samen voor willen zorgen dat deze ontwikkelingen ook echt verder kunnen gaan, houdt dat het volgende in:
- Degenen die naar voren komen als leiders van de gemeenschap en getrouwe verkondigers van Gods woord moeten daarin aanvaard en gestimuleerd worden.
- Deze mensen zullen zo veel als het kan ingeschakeld moeten worden in verkondiging en liturgie.
De pastoraal werksters zullen we actief moeten steunen in wat ze doen; wat er groeit, moet de kans krijgen; en dus moeten we niet ingaan op de pogingen om die ontwikkelingen in de kerk terug te schroeven.”
Inconsequenties
Ofschoon dan al zo'n vijftien jaar duidelijk is dat er door sterke groeperingen gestreefd wordt naar een lekenkerk, blijven de bisdommen, op Roermond na, pastoraal werk(st)ers in dienst nemen. Ook bovengenoemd vouwblad en verontrustende publicaties van andere VPW's brengen de bisschoppen niet tot substantiële maatregelen. Kardinaal Willebrands reageert met een afwijzende verklaring, maar blijft pastoraal werk(st)ers aannemen. In 1980 werken er bijna honderd binnen het aartsbisdom. Uiteindelijk zal het aantal in 1996 oplopen tot ruim boven de 200.
Toch wist kardinaal Willebrands van praktijken waarbij pastoraal werk(st)ers ongeoorloofd en/of ongeldig sacramenten toedienden. Dat blijkt uit een brief uit 1983 van kardinaal Guilio Oddi, destijds prefect van de Congregatie voor de Clerus. Deze geeft daarin antwoord op het verzoek van de Nederlandse bisschoppenconferentie om goedkeuring van een basisreglement voor pastoraal werk(st)ers dat is samengesteld naar aanleiding van de eerder genoemde punten van de Synodebesluiten uit 1980. Daarin herinnert kardinaal Oddi aan het feit dat de aartsbisschop genoemde misstanden ruiterlijk heeft toegegeven.
Volstrekte afwijzing
De brief komt neer op een afwijzing van het reglement. Kardinaal Oddi beschrijft de houding van de Nederlandse bisschoppen als een contradictie: “Het merendeel van de bisschoppen heeft energiek gewezen op de belangrijkheid en zelfs de noodzaak van deze medewerkers; en zelfs ten aanzien van de noodzaak een zorgvuldig statuut te ontwerpen voor deze leken, waarin dan wordt vastgelegd wat hun taak is, waren allen het eens, met uitzondering van één bisschop (mgr. Gijsen –JP) omdat in diens bisdom het probleem niet bestaat.”
Voor de bisschoppen is de pastoraal werk(st)er blijkbaar zowel noodzaak als probleem. Uit het vervolg van de brief blijkt dat de bisschoppen te maken hebben met een sterke interne strijd: de basisregeling blijkt allesbehalve zorgvuldig te zijn en wordt door kardinaal Oddi, na overleg met andere Romeinse instanties, op essentiële punten afgewezen. De taakomschrijvingen zijn zo ruim dat Oddi tussen haakjes toevoegt: “Ik zou graag eens nagaan wat er voor gewijde bedienaren nog te doen overblijft.” Ook kraakt de prefect de passage over de vorming van pastoraal werk(st)ers: “De bisschop moet zorgvuldig erop toezien en onderzoeken of een leek metterdaad de katholieke leer beleeft dan wel tekortschiet; de ernstige misbruiken (van sacramenten – JP) vragen dringend om een zeer waakzame herder”; en als deze niet in wil grijpen "stelt hij zich bloot aan het gevaar van medeplichtigheid aan de zonden van anderen”.
Geschiktheid veronderstelt ongeschiktheid
De brief wijst er duidelijk op dat geschiktheid van kandidaten ook veronderstelt dat kandidaten ook ongeschikt kunnen zijn en dat sommige situaties tot ontslag moeten leiden. Genoemd worden: een onregelmatig gezinsleven, leerstellige dwalingen en ambtsmisbruik. De kardinaal wijst voortzetting van het aannamebeleid van pastoraal werk(st)ers af, zoals zou blijken, tevergeefs. Hij herhaalt het synodebesluit dat er geen permanente functie mag ontstaan: bij het toevertrouwen van diensten aan leken moet “een opeenhoping van ambten op de manier van pastoraal werkers zoals ze nu bestaan, voorkomen worden”.
Mariënburggroep
De eerder genoemde nieuwe theologische visie op voorgangers wordt breed en tot op hoog niveau in de Kerk gedragen. Dat blijkt in 1983 met de publicatie van het manifest Getuigen van de geest die in ons leeft van de Mariënburggroep. Daarin wordt het Leergezag van de Kerk in twijfel getrokken en zonder meer de ontwikkeling van nieuwe vormen van het ambt toegejuicht.
Alleen mgr. J.M. Gijsen, bisschop van Roermond, komt met een publieke stellingname tegen het manifest van de Mariënburggroep, die bestaat uit tien dekens (uit ieder bisdom twee), vijftien hoogleraren en tal van bekende en anonieme vooraanstaande katholieken. In de brochure Onderzoekt de geesten of zij wel van God komen toont mgr. Gijsen aan dat het manifest op essentiële punten afwijkt van de rooms-katholieke leer. Hij benadrukt dat de tekst ervan zorgvuldig (gedurende twee jaar) is voorbereid door mensen van naam en faam.
De Roermondse bisschop krijgt geen publieke steun van zijn medebroeders. Dat gebeurt ook niet als kardinaal Ratzinger, prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer, de bisschoppen in 1984 verzoekt het manifest van de Mariënburggroep publiek af te wijzen. Later zal blijken dat deze brief door de Nederlandse bisschoppen voor kennisgeving is aangenomen.
Kwestie Schillebeeckx
Weliswaar zetten de bisschoppen naar aanleiding van de Synode van 1980 eigen priesteropleidingen op, maar blijven tegelijkertijd volop pastoraal werk(st)ers aanstellen. Dat gaat ook door als de zogenaamde ‘derde kwestie Schillebeeckx’ losbarst. In januari 1985 publiceert de Osservatore Romano een brief waarin kardinaal Ratzinger aan pater Schillebeeckx meedeelt dat zijn opvatting van het kerkelijk ambt in strijd is met het geloof van de Kerk. Schillebeeckx beweert in zijn boek Kerkelijk ambt dat een gemeenschap in geval van nood zelf voorgangers zou kunnen kiezen die daarmee vanzelf gevolmachtigd zouden zijn de sacramenten geldig toe te dienen. Schillebeeckx ontkende niet het belang van wijding en apostolische successie, maar deze volmacht zou als vanzelf op de door de gemeenschap gekozen voorganger overgaan.
De Congregatie voor de Geloofsleer wijst deze theorieën - die worden gedeeld door de Mariënburggroep en de VPW's - volledig van de hand en verzoekt de pater dominicaan “wegens het gezag dat u op theologisch terrein hebt verworven” en de grote verspreiding van zijn boeken, openlijk de leer van de Kerk te onderschrijven en de door hem gecreëerde problemen op te lossen. Volgens de Osservatore zou Schillebeeckx daarmee hebben ingestemd. Tijdens een persconferentie in Nederland verklaart de theoloog echter: “De suggestie als zou ik mijn opvatting hebben ingetrokken dat ook niet-priesters in de Eucharistie kunnen voorgaan, is onjuist.” Hij stelt bovendien voor de pastoraal werker tot het vierde ambt na dat van bisschop, priester en diaken in te stellen door hen te wijden en in bepaalde gevallen voor te laten gaan in de Eucharistie.
Zwijgen
Schillebeeckx, die twee jaar daarvoor afscheid nam als hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Nijmegen (KUN), wordt fel verdedigd door collega dr. B. van Iersel. Deze beschuldigt de Heilige Stoel ervan op malafide wijze een machtsmonopolie te willen verdedigen. Ook dan, kort voor het pausbezoek, volharden de bisschoppen in hun zwijgen, óók de kanselier-aartsbisschop en vice-kanselier van de KUN.
Hoewel algemeen bekend is dat aan de theologische opleidingen de ideeën van Schillebeeckx gemeengoed zijn, wordt niet publiek ingegrepen, óók niet daar waar priesterstudenten worden gevormd. Voor zover ingegrepen wordt, gebeurt dit in achterkamertjes. Voor het oog blijft de kloof tussen wat in de praktijk aan de theologische opleidingen wordt gedoceerd en datgene wat ‘van Rome niet mag’ gehandhaafd. De Katholieke Instituten voor Wetenschappelijk Theologie Onderwijs (KIWTO’s) - in 1989 gekraakt door de overheidscommissie Smits-Oberman wegens het middelmatige tot slechte wetenschappelijke niveau – worden openlijk geprezen en het seminarie Rolduc, dat omstreeks die tijd ruim zeventig priesters heeft opgeleverd, nauwelijks vermeld. Ook blijven de bisschoppen vergeefs pogingen doen om deze opleidingen door Rome erkend te krijgen.
Hoog niveau
Ook op hoog niveau blijken kerkelijke beleidsmakers het Leergezag te relativeren. Vicaris-generaal Vincent Schoenmakers verklaarde in een interview tegenover deze krant geen bezwaar te zien tegen de wijding van vrouwen. Vicaris-generaal Wim van Paassen van Rotterdam verklaarde bij zijn afscheid in 1998 zelfs een aantal pastoraal werk(st)ers te kennen, die “zo gewijd zouden kunnen worden”. Hij argumenteerde hetzelfde als pater Schillebeeckx tijdens het eerder genoemde interview: de viering van de Eucharistie is belangrijker dan kerkelijke regels.
Ook kerkelijk ‘kanon’ en oud-voorzitter van de Raad van Kerken, Ruud Huysmans, sprak zich uit voor verruiming van de ambtscriteria. Hetzelfde deed zijn opvolger Ton van Eijk, bestuursvoorzitter van de Willibrordvereniging. Allen zonder enig publiek weerwoord van welke bisschop dan ook.
Meewerken?
In maart vorig jaar bleken ook officiële stukken van de Bisdomraad Utrecht afwijkingen van de Vaticaanse Instructie over de medewerking van leken aan het dienstwerk van priesters uit 1997 te bevatten. In het reglement voor het aannemen van tijdelijke pastorale krachten in het aartsbisdom worden strenge opleidingseisen gesteld. Het motief is niet, zoals kardinaal Oddi in eerder genoemde brief stelde, om de geschiktheid van de kandidaten te bepalen, maar “vanwege de bescherming van de werksoort pastoraat”. Tezelfdertijd verscheen een reglement voor de assistentie van emeriti. In afwijking van de instructie – die geen afwijkingen toelaat – wordt nadruk gelegd op een zogeheten “samenhang tussen liturgie en pastoraat” in plaats van de normale eenheid tussen verkondiging en bediening van de Eucharistie. Het komt erop neer dat ondanks het uitdrukkelijke verbod ruimte wordt gecreëerd om de homilie toch door niet-gewijden en dus pastoraal werk(st)ers te laten doen, bijvoorbeeld "bij de viering van doopsel, eerste Communie en huwelijk, als de pastoraal werk(st)er de voorbereiding heeft verzorgd en de mensen en hun vragen kent. Het geldt voor de verkondiging bij de uitvaart, als de pastoraal werk(st)er de dode en de familie begeleid heeft”"
Herhaling van zetten
De beleidsnota Meewerken in het pastoraat die afgelopen september werd gepubliceerd, heeft de Nederlandse bisschoppen twee jaar werk gekost. Men moest praktijken afwijzen die men - gewild of niet - zelf in het leven had geroepen. De Vaticaanse instructie is onder meer met het oog op de situatie in Nederland gepubliceerd.
De beleidsnota suggereert dat de conflicten die zich rond de pastoraal werk(st)er voordoen een soort groeistuipen zijn of incidenten, eigen aan de huidige situatie van de Kerk. De feiten laten zien dat de pastoraal werk(st)er is voortgekomen uit de uitdrukkelijke wens een nieuwe en eigenzinnige invulling te geven aan ambt en sacramenten. De schokkende cijfers als van het KRO-RKK-onderzoek Dichtbij en veraf (zie KN 14), spreken voor zich.
De beleidsnota, die hier en daar puntjes op de ‘i’ lijkt te zetten, beantwoordt aan het vaste patroon: men wijst op papier af wat men in de praktijk gedoogt en zelfs stimuleert door het bestaan van ideologische achtergronden te negeren en blijvend pastoraal werk(st)ers aan te nemen. Eerder, in 1989, schreven de bisschoppen waarschuwende brieven aan de VPW's en in 1994 verscheen het bisschoppelijk schrijven In Christus' Naam, waarin het onderscheid gewijd niet-gewijd werd onderstreept. In de praktijk veranderde er echter niets: de VPW's werden, behalve in Roermond, erkend, herhaalde Romeinse waarschuwingen ten spijt. Ook ging het benoemingsbeleid onverminderd door.
Schisma
Het feitelijke beleid enerzijds en de uitspraken van bisschoppen in kleine kring anderzijds suggereren dat ook bij bisschoppen het geloof een privé-kwestie is geworden. Interessanter is het waarom van hun houding: is er sprake van massieve tegenwerking, onvermogen of misschien zelfs onwil?
Het is niet gezegd dat een ander beleid meer kerkgangers zou hebben 'gescoord'. Maar door het achterwege blijven van een ingrijpende hervorming van de theologische (priester)opleidingen en het katholiek onderwijs, hebben de bisschoppen ongewild actief meegeholpen aan het vestigen van een structuur die een schisma mogelijk maakt, als dat er feitelijk niet al is.
Hoeveel roepingen zijn verspild door jonge mensen te laten worstelen in het vaak scherpe anti-priesterkerk-klimaat in opleidingen en stageplaatsen? Wat is er gedaan aan degelijk catechetisch onderwijs in plaats van de papierlawines van de DPC's? Hoe wil men met de huidige onbeschreven-blad-generatie substantieel iets aan kadervorming doen, laat staan aan maatschappelijke kadervorming?
De bisschoppen hebben hun kaarten klaarblijkelijk gezet op het behoud van de bestaande structuren. Het lijkt er echter op dat zij zichzelf juist daarmee schaakmat hebben gezet.







door HendroM (Hendro Munsterman) ongeveer 12 uur geleden
We zijn bewust bij 3 blijven steken... Vast niet goed katholiek! http://t.co/0AInCCUP @KNieuwsblad
door Roerkerken (Father Jack - PC4W) ongeveer 12 uur geleden
Met zorg voor het @knieuwsblad http://t.co/JLdGdXGX
door Reclusius (Anthony Ruijtenbeek) ongeveer 14 uur geleden
@Roerkerken U plaatst een oproep: http://t.co/vutPhe6Y om het @KNieuwsblad te vernietigen, mogen mensen hun boosheid dan misschien uitten?
Zie mij op Facebook!