Conan the Barbarian

Conan the Barbarian Beeld: Benelux Film Distributors
Waarom in vredesnaam een nieuwe film over Conan? Geen vreemde vraag voor Marcus Nispel, die tot nog toe enkel remakes regisseerde. Hij joeg daarmee al vele liefhebbers in het harnas. Hij antwoordde dat hij het melancholieke en goedgeluimde karakter van Conan wil gebruiken om de nieuwe generatie een catharsis-ervaring te bezorgen.

Dat klinkt veelbelovend, want sinds de jaren dertig heeft de heroïsche Conan daarin een staat van dienst, in boeken, strips en films. De originele film betekende in 1982 niet alleen de doorbraak van Arnold Schwarzenegger als filmster. Onder leiding van John Millius en Oliver Stone groeide Conan door schade en schande uit tot een verlosser, die leed om zijn volk te bevrijden. En hoewel sommigen dat ongepast achtten, werd hij zelfs gekruisigd, inclusief spectaculaire verrijzenis en (geestelijke) strijd tegen satans, slangen en sektarisme.

Dat verhaal vindt Nispel echter moeilijk te volgen. Zijn film blijkt niet alleen een stuk eenvoudiger, de hele betekenis is ondergesneeuwd geraakt door een overdaad aan geweld. Van lijden, sterven en verrijzen valt geen spoor te ontdekken, evenmin van enige vorm van spirituele reis of geestelijke strijd, die zelfs de harkerig acterende Schwarzenegger nog aan de dag wist te leggen. Nee, Conans nieuwe missie is niet meer dan het wreken van de moord op zijn vader, door megalomane magiërs. En tussendoor deelt hij nog de lakens met een vrouw die uit het klooster is gevlucht.

Maar waar leiden libido en wraakgevoelens tot catharsis? Nispel onderschat de nieuwe generatie met zijn vloed van bloed en bloot, zonder enige verantwoording of diepgang. Laat Nispel in vredesnaam eens opzoeken wat melancholie, luim en catharsis betekenen. Dan krijgen ze in zijn volgende remake hopelijk wel een kans.

Film: Conan the Barbarian (2011), VS, 113 min in 3D. Scenario: Robert E. Howard (verhalen), Sean Hood e.a., regie: Marcus Nispel, met o.a.: Jason Momoa, Rachel Nichols, Stephen Lang, Rose McGowan en Ron Perlman.
16 september 2011