Minister Peper dekt partijdige rechter
- 19-3-1999 00:000 uur
Minister Peper heeft geantwoord op de schriftelijke vragen die een Kamerbrede meerderheid stelde over de zaak Ovaa/Spijkers. Aanleiding was het artikel in KN van 30 oktober, dat volgens Peper “suggesties” bevat die “onjuist” zijn. Het antwoord van de minister is van een hoog Bijlmergehalte: onvolledig, versluierend, innerlijk tegenstrijdig en zelf op vitale punten onjuist.
Henk Rijkers
Het artikel Duistere zaken bij Defensie (KN 5) was aanleiding voor een Kamerbrede meerderheid (CDA, PvdA, GroenLinks, D66, RPF, SP) om twee series schriftelijke vragen te stellen aan de ministers van Defensie, Justitie en Binnenlandse Zaken. Kamervoorzitter Jeltje van Nieuwenhoven hield de vragen tegen maar stond er tenslotte toch één toe. Namelijk of rechter H.A.A.G. Vermeulen die namens de Centrale Raad van Beroep uitspraak deed over het ontslag van Spijkers - en volgens getuigen tijdens de zitting opvallend partijdig gedrag vertoonde -, voordien een functie heeft bekleed bij het ministerie van Binnenlandse Zaken, waarin hij direct of indirect betrokken was bij het dossier Spijkers.
Het antwoord van minister Peper van Binnenlandse Zaken, mede namens de ministers van Defensie en Justitie, bestaat uit drie delen. In het eerste deel vermijdt de minister een ondubbelzinnige ja/nee-antwoord door te stellen dat KN met “suggesties” over Vermeulen is gekomen, die “onjuist” zijn. In het tweede deel geeft hij toe dat Vermeulen “verbonden” is geweest aan het ministerie van Binnenlandse Zaken, zonder erbij te zeggen dat hij Hoofd Algemene en Juridische Zaken was van het directoraat-generaal voor het overheidspersoneel (DGOP), de afdeling die over het ontslag van Spijkers ging. Vermeulen is volgens de minister op 15 juli 1988 bij Binnenlandse Zaken vertrokken toen het ontslag van Spijkers nog niet gespeeld zou hebben. Die “chronologie van de feiten” zou Vermeulens betrokkenheid “onmogelijk” maken.
Dat maakt deel drie van het antwoord zo opmerkelijk, want daar zegt de minister dat hij archiefonderzoek bij Binnenlandse Zaken en Defensie heeft laten verrichten. Onderzoek naar een chronologische onmogelijkheid? De constatering dat de minister niets is gebleken “van enige directe of indirecte betrokkenheid van mr. H.A.A.G. Vermeulen” komt zo in ieder geval niet meer als een verrassing.
Over dat archiefonderzoek kan KN meepraten. Binnenlandse Zaken heeft KN benaderd om te horen over welke ambtelijke correspondentie het beschikt. Toen KN hier niet op wilde ingaan, kreeg het te horen: “Het lijkt wel of u zelf iets te verbergen heeft.” Op de repliek dat men bij Defensie toch over het complete Spijkers-dossier beschikte, werd gezegd: “Ja, maar daar krijgen we het niet.” Eenzelfde verzoek richtte Binnenlandse Zaken aan Spijkers. Op diens aanbod bij hem thuis de relevante correspondentie in te komen zien, werd nimmer geantwoord. Uit het antwoord van de minister blijkt dat het archief van Justitie helemaal niet is geraadpleegd.
Men had zich echter veel moeite kunnen besparen door hetzelfde te doen als KN: de Staatsalmanak over de betreffende jaren opslaan. Daaruit blijkt dat in datzelfde DGOP waarin Vermeulen werkte als Hoofd Algemene en Juridische zaken, de arts Osten hoofd Medische en Juridische Zaken was. Osten was collega van Vermeulen maar bevond zich bovendien in een dubbelrol: hij was ook bedrijfsarts van Spijkers. De arts Lankhorst was zijn directe ondergeschikte. Lankhorst en Osten spelen de hoofdrol in Spijkers’ psychiatrisering, aangetoond in het onderzoek van de internationale mensenrechtenorganisatie Geneva Initiative. Bovendien stond Maagdenberg, hoofd DGOP, als zodanig directe chef van Osten en Vermeulen, weer functioneel in verbinding met zijn collega van Defensie, Bunnik. Over het contact tussen hen beiden straks meer. Waar het nu om gaat, is dat Vermeulen in 1987/88 omringd is door personen, zelfs hoofdpersonen uit het Spijkers-dossier. Deze constellatie is, zelfs als het waar zou zijn dat Vermeulen chronologisch niet bij Spijkers ontslag betrokken kon zijn, voor een rechter meer dan voldoende reden om zich te verschonen. Waarom deed Vermeulen dat dan niet? Wilde hij zichzelf en zijn vroegere collega’s beschermen?
De minister geeft een “chronologie van de feiten” die rechtstreekse betrokkenheid van Vermeulen bij het ontslag van Spijkers “onmogelijk” zou maken. Dat zou inderdaad zo zijn als de minister die chronologie juist zou weergegeven. Maar dat doet hij niet. Hij stelt dat Vermeulen op 15 juli 1988 bij Binnenlandse Zaken vertrok en dat Spijkers ontslag pas jaren later speelde. Spijkers is echter op 5 augustus 1987 uit zijn functie ontheven. Al in de ontheffingsbrief van die datum wordt een bedrijfsarts als partij genoemd. Welke arts? Een brief van Defensie d.d. 30 mei 1988 aan de griffie van het ambtenarengerecht specificeert dit. Ten behoeve van het mislukte archiefonderzoek noemen we hier het briefnummer: PCO 46.06.17/880530. De bedrijfsarts in kwestie blijkt de psychiatriserende arts Lankhorst te zijn. Deze Lankhorst verklaart op 11 juli 1988 onder ede bij de rechter-commissaris dat zij Spijkers’ ontheffingsbrief op 3 augustus 1987 ter lezing heeft gekregen en daarbij het volgende heeft gesteld: “Naar mijn mening zou voordat klagers ontslag wordt overwogen te zijnen aanzien een geneeskundig onderzoek moeten plaatsvinden.” Hieruit blijkt duidelijk dat onmiddellijk bij Spijkers’ ontheffing diens ontslag al aan de orde was.
Resumerend kan worden vastgesteld dat Vermeulen een leidinggevende functie had bij de afdeling van Binnenlandse Zaken die het ontslag van Spijkers behandelde. En dat hij die functie ook nog had toen dat ontslag aan de orde was, namelijk van augustus 1987 tot aan Vermeulens vertrek op 15 juli 1988.
Deze constatering kan verder worden geconcretiseerd: de voormalige advocaat van Spijkers, mr. R. Metselaar, heeft hierover een schriftelijke verklaring afgelegd. Metselaar weet uit de eerste hand dat mevr. mr. M. Goossen, directe ondergeschikte van Vermeulen, op verzoek van het toenmalige hoofd Medisch/Juridische Zaken, de al genoemde Osten, collega van Vermeulen én bedrijfsarts van Spijkers, betrokken was geraakt bij de sinds najaar 1987 spelende vraag of Spijkers kon worden ontslagen. Ook Metselaar verwijst hiervoor naar wat Lankhorst op 11 juli 1988 onder ede verklaard heeft. Bovendien meldt Metselaar destijds zowel met Osten als met Goossen gesprekken te hebben gevoerd en het in hoge mate onwaarschijnlijk te achten dat Goossen in de zaak Spijkers zou zijn opgetreden zonder wetenschap van haar superieur, mr. H.A.A.G. Vermeulen, de latere rechter.
Als kroongetuige in de zaak Spijkers/Ovaa mag een interne nota gelden (PB.52.07.23.377/202) die door de toenmalige plv. directeur burgerpersoneel Bunnik van Defensie aan de directeur Overheidspersoneelszaken van Binnenlandse Zaken, mr. Maagdenberg, is gestuurd. Vermeulen moet als rechter die nota gezien hebben, want staatssecretaris Gmelich Meijling van Defensie verklaarde op 5 februari 1998 voor de vaste Kamercommissie voor Defensie dat het hele Ovaa-dossier aan de rechter was gegeven. Meijling voert dat juist aan als motief voor Defensie om Spijkers na diens veroordeling definitief als afgehandeld te beschouwen. De nota staat gedateerd op 19 september 1984, enige dagen na het dodelijke ongeluk van Rob Ovaa met de onveilige landmijn AP-23. Let wel: deze interne nota van de chef van Spijkers aan de chef van Vermeulen gaat over de afhandeling van het ongeval en vormt het begin van de kwestie Spijkers. Daarin stelt Bunnik “Het ongeval is in genen dele te wijten aan onvoorzichtigheid van wijlen de heer Ovaa en is duidelijk een dienstongeval.” Dit wordt op 25 september in opdracht van de minister van Binnenlandse Zaken bevestigd (briefnummer AB84/1546). Niet alleen bewijst dit de vroege betrokkenheid van Vermeulens directe chef bij het Ovaa-dossier, maar ook het feit dat Defensie van meet af aan wist dat Ovaa onschuldig was. Iets wat het ministerie pas dertien jaar later, opgejaagd door de media, openlijk wilde erkennen.
Defensie verwoestte het geluk van het gezin Ovaa. Nog steeds wacht de weduwe op genoegdoening. Fred Spijkers werd met behulp van een aantoonbaar corrupte rechter ontslagen. De verantwoordelijke minister verkondigt desgevraagd aantoonbare onjuistheden, en beschuldigt het Katholiek Nieuwsblad ervan “suggesties” te verspreiden die “onjuist” zijn.
De vraag is nu: wat doet de Kamer hiermee?
Tags:
|